| De milieuvergunning en aanverwante zaken |
De beoordelingsprocedure van de milieuvergunningDe eerste vraag is wie de aanvraag om milieuvergunning beoordeelt (wie is het bevoegde gezag ). Bij de zeer grote varkensbedrijven met brijvoer is dit vaak de provincie. In de overige gevallen is de gemeente het bevoegde gezag. De milieuvergunningprocedure begint met de indiening van een aanvraag door de ondernemer. Het is de bedoeling dat er voldoende gegevens in de aanvraag worden opgenomen om een goede beoordeling te kunnen maken. Een bijzonderheid kan zijn dat er een Milieueffectrapportage (MER) nodig is. Dit is afhankelijk van wat er wordt aangevraagd. Indien een bedrijf wordt opgericht met meer dan 3000 mestvarkens, danwel 900 zeugen, danwel 60.000 stuks pluimvee dan is een MER een wettelijke plicht. Bij de aanvraag om vergunning moet dan een MER worden gevoegd. Ook indien een uitbreiding plaats vindt, waarbij de uitbreiding meer dan bovengenoemde aantallen omvat, dan is eveneens een MER nodig. Echter, als een bestaand veehouderijbedrijf met bijvoorbeeld 2800 mestvarkens uitbreidt met 2800 mestvarkens, dan is geen MER vereist. Dit is een gat in de wet, dat tot op heden niet is aangepakt. In de MER-plicht is nog meer ‘grijs gebied’ aan de orde, maar blijft hier verder onbesproken. In het Besluit MER is aangegeven welke bedrijven MER-plichtig zijn. In een aantal gevallen is er geen directe MER-plicht, maar moet het bevoegd gezag beoordelen of er in verband met bijzondere omstandigheden een MER nodig is. Dit is de MER-beoordelingsplicht. Dit is aan de orde bij 2200 tot 3000 mestvarkens, 350 tot 750 zeugen of 45.000 tot 60.000 stuks pluimvee. Dit is bepaald in het Besluit MER. Van een MER-procedure moet je niet te hoge verwachtingen hebben. Het is een met wat meer waarborgen omklede procedure om alle milieugevolgen zo helder mogelijk op tafel te krijgen. Het is geen politieke beoordeling van de aanvaardbaarheid van de milieugevolgen, zoals vaak wordt gedachtDit betekent niet dat de MER-procedure zinloos is. Er zijn vaak nog flinke leemten in de milieukennis over veehouderijen. De MER-procedure is bij uitstek het moment om dit uit te zoeken.. Als je je tijdig meldt, dan kun je een rol spelen in de eisen die aan de MER moeten worden gesteld. Je meldt je tijdig als je reageert op de startnotitie die ter inzage wordt gelegd. Deze startnotitie is altijd opgesteld door de aanvrager van de vergunning en wordt vervolgens aan de MER-commissie gestuurd. De MER-commissie stelt vervolgens de richtlijnen op waaraan de MER dient te voldoen, en betrekt hierbij jouw inspraakreactie. Het is zaak dan een goede inspraakreactie te hebben gegeven. Bij het opstellen van de richtlijnen is vaak nog winst te behalen. Op basis van deze richtlijnen dient de aanvrager een MER op te stellen. Deze MER wordt later weer beoordeeld door de commissie MER en de gemeente/provincie. Het bevoegde gezag neemt doorgaans eenvoudig de conclusies van de MER-commissie over, terwijl de MER-commissie niets anders doet dan de vraag beantwoorden of de MER aan de eerder gestelde richtlijnen voldoet. Het gebeurt zelden dat het bevoegde gezag een andere conclusie heeft dan de MER-commissie. Een vergunningaanvraag bestaat uit onder meer een aanvraagformulier en een staltekening. Hierin treft u de meest concrete milieuinformatie aan. Met name de staltekening is belangrijk. Hierop zie je hoe groot de stallen worden, waar de dieren staan, en hoe het uiteindelijk er uit zou moeten komen te zien. Verder is vaak ook aanwezig een akoestisch rapport en een fijn stof beoordelingsrapport. De gemeente of provincie moeten een standpunt innemen over de aanvraag. Nadat is besloten dat er voldoende gegevens beschikbaar zijn (de aanvraag is ontvankelijk verklaard), wordt een ontwerpbesluit opgesteld. Hierin geven burgemeester en wethouders (B&W) danwel gedeputeerde staten (G.S.) hun mening over de aanvraag en zeggen de aanvraag te weigeren danwel onder voorschriften te verlenen. De ontwerpbeschikking inclusief aanvraag worden wettelijk verplicht gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Als er ook een MER is opgesteld, dan wordt die vaak gelijktijdig ter inzage gelegd. Je kunt middels een zienswijze reageren op de aanvraag en de eventuele MER. Het is zaak dan de argumenten dan goed op orde te krijgen. Er kunnen geen proforma zienswijzen worden ingediend. In die zes weken moeten de volledige zienswijzen worden ingediend, op straffe van niet ontvankelijkheidverklaring. Ook als het bevoegde gezag uitstel verleent, is het onverstandig buiten de termijn zienswijzen in te dienen. Probeer zo veel mogelijk onderwerpen aan te halen in de zienswijze, ook al lijken ze op het eerste gezicht niet kansrijk of heel relevant! Wanneer de overheid toch beslist de vergunning te verlenen, kun je – naar aanleiding van de eerder ingediende zienswijze – beroep instellen. In dit beroep kun je alleen maar onderwerpen aanhalen die je in je zienswijze hebt gebruikt. Je kunt wel dieper op je argumenten ingaan en een betere onderbouwing geven. Je moet belanghebbend zijn om beroep in te kunnen dienen. Als je direct woont naast de (toekomstige) megastal, dan wordt dat doorgaans aangenomen. Op het moment dat de afstand meer dan enkele honderden meters bedraagt, en je ook geen zicht hebt op de projectlocatie, dan wordt het riskant. Dit kan worden ondervangen indien een actieve milieuorganisatie zich ook partij stelt. Een organisatie is belanghebbende als uit de statuten en de activiteiten blijkt dat de organisatie opkomt voor het belang dat door verlening van de vergunning wordt bedreigt. Nadat je een zienswijze hebt ingediend, moet het bevoegde gezag een definitief besluit nemen. Daarbij dient ook gereageerd te worden op de ingediende zienswijzen. Die reactie is vaak teleurstellend. Het bevoegd gezag wijst zienswijzen vaak af, maar ze kan ook besluiten naar aanleiding van de zienswijzen om de vergunningvoorschriften of het besluit zelf aan te passen. Het is niet ongewoon dat de veehouder zeer actief wordt betrokken bij de reactie op de zienswijzen. De veehouder beschikt dikwijls over veel meer milieutechnische kennis dan de gemeente of provincie. Het kennisniveau bij de lagere overheid is dikwijls pover. Hierdoor heeft de veehouder potentieel grote invloed op de reactie op de zienswijzen. Dit is natuurlijk een ernstige tekortkoming in de procedure. Het wordt door de wetgever nauwelijks erkend. Klik hier voor een voorbeeld van een ingediende zienswijze tegen een varkensflat Er is vaak veel op te merken over de vergunningaanvraag. Hieronder wordt kort ingegaan op de afzonderlijke milieuonderdelen die bij veehouderij aan de orde kunnen zijn. Best beschikbare techniekenAlle grote bedrijven vanaf 40.000 stuks pluimvee, danwel 2000 mestvarkens, danwel 750 zeugen (let op: dit zijn andere drempelwaarden dan voor de MER-plicht) moeten aan de IPPC-eisen voldoen. Dit betekent kort gezegd dat ze dienen te voldoen aan de Best Beschikbare Technieken (BBT) om de milieugevolgen te beperken. Wat BBT is, is natuurlijk omstreden. Op Europees niveau is een document (BREF) opgesteld dat streeft naar het benoemen van hetgeen als BBT moet worden beschouwd. Dit ‘Reference Document on Best Available Techniques for Intensive Rearing of Poultry and Pigs’ noemt de geaccepteerde technieken Omdat dit voor de hele EU geldt, heeft dit niet het hoogst mogelijke ambitieniveau. Eén ding is wel duidelijk: traditionele huisvesting voor varkens en kippen is uitgesloten. GeurhinderVoor omwonenden is geurhinder vaak de eerste zorg. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de Wet Geurhinder en Veehouderij. Voor de dieren in combinatie met een specifiek stalsysteem gelden geuremissiefactoren, uitgedrukt in odourunits per m3. Zo kan de geuremissie van de veehouderij worden vastgesteld. Vervolgens moet worden bekeken waar stankgevoelige objecten in de omgeving van het bedrijf liggen. De wet bepaalt het maximale geurbelastingsniveau. Dit wordt berekend middels een computerverspreidingsmodel. Indien uit de berekening volgt dat aan de minimale afstandseisen wordt voldaan, dan staat geurhinder niet aan vergunningverlening in de weg. Voor mestuitrijden gelden geen normen in de milieuvergunning Klik hier voor beleidkaders voor de beoordeling van geur vanwege veehouderij GeluidhinderIn het akoestisch rapport -indien aanwezig- wordt een overzicht gegeven van alle akoestisch relevante bedrijfsactiviteiten binnen de grenzen van de inrichting. Met name de mest-, voer-, en diertransporten zijn bekende geluidbronnen. Daarnaast veroorzaakt de mechanische ventilatie ook een aanzienlijke geluidbelasting. Hierbij geldt net als bij stank: naarmate het bedrijf dichterbij een woning is gelegen, bestaat een grotere kans dat er met overlast rekening moet worden gehouden. Cruciaal is het geluidbeschermingsniveau dat het bevoegde gezag in de vergunningvoorwaarden toestaat. Naarmate er meer geluidruimte wordt toegestaan door de geluidvoorschriften, is het natuurlijk makkelijker voor de ondernemer om aan de normen te voldoen. Keerzijde is natuurlijk dat de omgeving een lager beschermingsniveau geniet. FijnstofInmiddels blijkt te moeten worden aangenomen dat de intensieve veehouderij een fors aandeel heeft in de fijnstofemissies. Met name pluimvee veroorzaakt hoge emissies. Van fijnstof is bekend dat het een gevaar is voor de gezondheid. Ook hiervoor zijn emissiefactoren en verspreidingsmodellen beschikbaar, om te berekenen of aan de gestelde normen wordt voldaan. Klik hier voor het beleidskader voor beoordeling van fijnstof en veehouderij AmmoniakAls laatste, maar zeker niet als onbelangrijkste als het om beleidsregels gaat, worden de ammoniakemissies genoemd. De veehouderij veroorzaakt in nagenoeg heel Nederland uitzonderlijk hoge ammoniakneerslag op kwetsbare natuurgebieden. Hierdoor worden veel plantengemeenschappen in hun voortbestaan bedreigd. Indien in de directe omgeving (tot maximaal 3000 meter) een gebied is gelegen dat bescherming geniet krachtens de Wet Ammoniak en Veehouderij en/of onder de Habitat- of Vogelrichtlijn valt, dan moet de ammoniakuitstoot worden beperkt of zelfs voorkomen. De ammoniakwetgeving kan er ook toe leiden dat een aangevraagde vergunning moet worden geweigerd. Klik hier voor beleidskaders inzake ammoniak Lokaal milieubeleidZoals je hierboven hebt kunnen lezen, is de milieuvergunningprocedure vaak een veel omvattende procedure. Kleinere gemeenten zijn dikwijls niet goed in staat om deze procedures goed te doorlopen, vooral niet indien het om grote bedrijven gaat. Grote bedrijven beschikken over goede adviseurs. Ambtenaren zijn hier niet altijd tegen opgewassen. Lokale overheden kunnen in sommige gevallen voor hun eigen grondgebied milieubeleid ontwikkelen, zoals bijvoorbeeld voor geurhinder (stanknota) en geluidhinder (geluidnota). Dit beleid kan strenger of minder streng zijn dan het landelijke beleid. Vaak betekent dit een versoepeling van de normstelling voor een bepaald buitengebied, zoals bijvoorbeeld de LOG’s. Hiermee wordt bereikt dat het bevoegd gezag bedrijvenruimere milieunormen kan voorschrijvendan buiten de LOG's. Het zal duidelijk zijn dat de keerzijde hiervan een verslechtering van het leefklimaat betekent in de LOG's. Op besluitvorming voor het ontwikkelen van lokaal milieubeleid is doorgaans inspraak mogelijk. Maak hiervan gebruik. Niet inspreken betekent instemmen met het beleid. Bovendien beperkt het de mogelijkheden om voor je belangen in de milieuvergunningprocedure op te komen. NatuurbeschermingswetIndien de veehouderij op minder dan 3000 meter afstand van een Natura2000 gebied ligt, dan kan , naast de vergunningplicht op grond van de Wet milieubeheer, een vergunningplicht gelden op grond van de Natuurbeschermingswet. Dit geldt met name voor de ammoniakdeposities. De provincie is hierbij het bevoegde gezag. Op dit moment is onduidelijk wanneer wel en geen vergunning kan worden verleend, doordat het in 2006 hiervoor opgestelde toetsingskader door de minister van LNV is ingetrokken. Dit is gebeurd, nadat de rechter heeft geoordeeld dat het toetsingskader onverenigbaar is met de Europeesrechtelijke verplichtingen. Dit lijkt veel op het ammoniakverhaal bij de milieuvergunning, en overlapt elkaar in grote mate. De Natuurbeschermingswet staat juridisch echter los van de milieuvergunning. Klik hier voor een overzicht van de beschermde gebieden krachtens de Natura 2000 |
