Q&A: wat moet ik weten over veefabrieken

Drie categorieën:

  1. Vragen over de campagne
  2. Algemene inhoudelijke vragen over veefabrieken
  3. Verdiepende inhoudelijke vragen over veefabrieken

1. Vragen over de campagne ^

Q: Wat is het doel van de campagne tegen veefabrieken?

A: We willen de politiek laten zien dat burgers niet zitten te wachten op veefabrieken (ofwel megastallen) met duizenden varkens en koeien en tienduizenden kippen. Dat doen we door aandacht te vragen voor veefabrieken op verschillende momenten gedurende het jaar.

Q: Waarom zijn de veefabrieken-campagnes vaak gericht op de politiek?

A: Het is de taak van de politiek om de voorwaarden te creëren zodat er alleen nog maar op een duurzame manier vlees wordt geproduceerd en waarbij alle kosten worden doorberekend.

Mensen geven aan dierenwelzijn en milieu belangrijk te vinden, maar veel consumenten kiezen door het grote prijsverschil toch voor het goedkoopste stukje vlees. De prijs van gangbaar vlees is echter te laag. De vee-industrie veroorzaakt jaarlijks voor honderden miljoenen aan schade door milieuvervuiling en gezondheidsproblemen én leidt via het geïmporteerde veevoer tot een sociale en milieucatastrofe in Latijns Amerika. De prijs hiervan wordt betaald door de overheid of afgewenteld op de dieren, de samenleving en de natuur. De politiek moet er, via wet- en regelgeving, financiële prikkels en een hervormd landbouw- en handelsbeleid, voor zorgen dat deze kosten worden doorberekend in de prijs.

Q: Zijn de campagnes gericht tegen boeren?

A: Nee. We willen juist dat boeren een eerlijke prijs krijgen voor hun producten en dat ze een bestaan op kunnen bouwen dat niet ten koste gaat van burgers, dieren, natuur, milieu en boeren in andere landen. Wij willen dan ook dat de overheid maatregelen neemt om dat mogelijk te maken zodat boeren hun bedrijf kunnen voortzetten. Op dit moment kunnen de meeste veehouders alleen overleven door steeds groter te groeien en zich steeds dieper in de schulden te steken. Bedrijfsovernames door kinderen van veehouders worden zo steeds moeilijker. De varkens- en kippenhouderij als familiebedrijf dreigt hierdoor uit Nederland te verdwijnen en plaats te maken voor grote op afstand bestuurde agrarische ondernemingen. Wij willen dat er een einde komt aan deze bulkproductie voor de laagste kosten en dat familiebedrijven een goede beloning krijgen voor kwaliteitsproducten die aan hogere dierenwelzijns- en milieu-eisen voldoen.

Q: Wat kan de burger tegen veefabrieken doen?

A: Deze website geeft je tips om succesvol in verweer te komen. Klik hiernaast in de linkerkolom op 'Kom in actie!' voor meer informatie. Daarnaast kun je je abonneren op de nieuwsbrief van Duurzaam Voedsel van Milieudefensie: www.milieudefensie.nl/vee-industrie (rechtsonderin). Dan blijf je altijd op de hoogte van de laaste ontwikkelingen en campagnes.

2. Algemene inhoudelijke vragen over veefabrieken ^

Q: Wat is een megastal of veefabriek?

A: Een megastal is een hele grote stal vol met dieren voor de productie van vlees of zuivel. Soms worden er meerdere stallen bij elkaar geplaatst of worden de dieren gehouden op meerdere etages, zoals de varkensflat. Megastallen zijn minstens drie keer zo groot als een gemiddeld gezinsbedrijf. Dieren in een megastal komen nooit buiten, kunnen niet wroeten en zien (vrijwel) geen daglicht. Staarten worden zonder verdoving afgeknipt en hoektanden ingekort. Het veevoer wordt ver van de boerderij geteeld, met vrachtwagens aangevoerd, de mest en het slachtvee moeten weer worden afgevoerd. Als je op deze manier dieren houdt heeft dat weinig meer met landbouw te maken: het is een veefabriek, waarbij geen band meer is met de omliggende grond en de dieren tot productie-eenheden zijn gereduceerd. Milieudefensie noemt megastallen daarom veefabrieken. Het aantal dieren per veefabriek verschilt per soort. Volgens het onderzoeksinstituut Alterra spreken we van een megastal bij meer dan 7.500 vleesvarkens of meer dan 1.200 fokvarkens, meer dan 120.000 leghennen of meer dan 220.000 vleeskuikens, en bij meer dan 250 melkkoeien of meer dan 2.500 vleeskalveren. Die getallen komen allemaal overeen met ongeveer 300 NGE (Nederlandse Grootte Eenheid, maat voor de economische omvang van een agrarisch bedrijf), waarbij een bouwblok van 1 tot 1,5 hectare maximaal wordt benut (Alterra, Megastallen in beeld, 2007).

Q: Hoeveel veefabrieken zijn er in Nederland?

A: Op dit moment zijn er naar schatting 575 veefabrieken. In 2005 waren dat er 184. Het aantal is dus ruim verdriedubbeld.

Q: Wat is er tegen megastallen?

A: De intensieve veehouderij is slecht voor het milieu, dieren en mensen. Ze dragen bij aan een groot mestoverschot, wat door de uitstoot van ammoniak, fosfaat en nitraat een sterk negatief effect heeft op de natuur. Alle dieren in de vee-industrie in Nederland produceren samen jaarlijks 70 miljard kilo mest, dat is 4000 kilo per Nederlander. Dieren worden door de massale aantallen meer beschouwd als vleesmachines dan als levende wezens. Ze komen nooit buiten, omdat vrije uitloop of weidegang praktisch onmogelijk is. Veefabrieken veroorzaken lokale milieuvervuiling (bijvoorbeeld door uitstoot van fijnstof) waar omwonenden last van hebben en door de kans op de verspreiding van ziektes is er een risico voor de volksgezondheid.

Daarnaast versterken veefabrieken een trend waarbij veevoer niet in de regio wordt geteeld, maar wordt aangevoerd uit andere landen zoals de soja uit Latijns-Amerika. Kringlopen van mineralen worden daardoor verstoord: bodemuitputting in de landen van herkomst gaat gepaard met mestoverschotten hier. Ook veehouders zijn het slachtoffer: voor iedere veefabriek moeten minimaal drie gezinsbedrijven hun deuren sluiten. Tenslotte verpesten zij het landschap.

Kortom, een megastal is een extreme vorm van intensieve veehouderij waar Milieudefensie vanaf wil.

Q: Het risico voor verspreiding van dierziektes onder mensen vanuit de biologische veeteelt is toch veel groter dan verspreiding vanuit de intensieve veehouderij en vanuit veefabrieken?

A: De kans op uitbraak van dierziektes in kleine bedrijven is wellicht iets groter dan in veefabrieken, maar de gevolgen van een ziekteuitbraak zijn in veefabrieken veel groter. Bij familiebedrijven is er een grotere kans op een relatief kleine ramp en op megabedrijven een kleine kans op een absoluut grote ramp (CLM 2008). Veefabrieken passen binnen een globaliserende voedselvoorziening met vele transporten tussen en binnen continenten, en van en naar de bedrijven. En ieder transport kan gepaard gaan met verspreiding van ziekten. Verschillende dierziektes kunnen ook overspringen op de mens. Afgelopen jaar zijn er veel mensen ziek geworden en enkelen overleden ten gevolge van de Q-koorts, een op de mens overgesprongen dierziekte. Daarnaast krijgen dieren om ziektedruk te verminderen en de groei te bevorderen, preventief antibiotica toegediend. Dat overdadige gebruik van antibiotica leidt tot het resistent worden van ziekteveroorzakende bacteriën die gevaarlijk zijn voor de mens, zoals de ESBL- en de MRSA-bacterie.

Q: Wat vinden boeren van veefabrieken?

A: Voorzitter Albert Jan Maat van LTO Nederland sprak zich in januari voor het eerst uit tegen megastallen. Volgens hem passen megastallen en megabedrijven niet in het Nederlands landschap. Maat ziet bedrijven liever groeien door het toevoegen van een extra tak aan het bedrijf, bijvoorbeeld met de verkoop van eigen producten. Eerder had voorzitter Hans Huijbers van ZLTO zich al kritisch uitgelaten over megastallen.

Q: Maar veefabrieken voldoen toch aan de wet?

A: Ook al worden de modernste technieken gebruikt om milieuvervuiling tegen te gaan, alsnog zal door de omvang van het bedrijf de milieubelasting enorm zijn. Dat een bedrijf voldoet aan de wetgeving, betekent niet dat het dierenwelzijn en goede zorg voor het milieu gegarandeerd zijn. De huidige wetgeving kan dieren nog lang geen welzijn garanderen. De praktijk wijst uit dat veefabrieken geen vooruitgang bieden voor de dieren: ze krijgen net zo weinig ruimte als hun soortgenoten in de 'normale' intensieve veehouderij. Ook de huidige (internationale) milieuwetten zijn ontoereikend om milieuproblemen zoals de vernietiging van natuurgebieden, de verstoring van kringlopen van mineralen door de grootschalige veevoerimport en de bijdrage van de (intensieve) veehouderij aan het broeikaseffect effectief aan te pakken.

3. Verdiepende inhoudelijke vragen over veefabrieken ^

Q: Zijn veefabrieken niet juist beter voor dierenwelzijn en milieu?

A: Qua dierenwelzijn toont een veefabriek weinig verschil vergeleken met de rest van de huidige vee-industrie. Een varken wordt nu gemiddeld met zo’n 1.000 dieren in een stal gehouden. In de veefabrieken zijn dat er veel meer, wel tot 35.000 dieren in een complex. Maar de omstandigheden zijn hetzelfde: even weinig ruimte en een vloer van beton en stalen roosters. Belangrijker is dat hoe groter de stal, hoe kleiner de kans dat een dier ooit in de buitenlucht komt. Concrete verbeteringen van het dierenwelzijn hoeven we van veefabrieken dus niet te verwachten.

Wetenschappers hebben wel aangegeven dat door het houden van zoveel dieren op een plek er een grotere kans ontstaat op het verspreiden van besmettelijke dierziekten. Dat kan leiden tot massale ruimingen. Met de toename van megastallen neemt de kans op epidemieën eveneens toe. Om de ziektedruk te verminderen wordt steeds meer antibiotica ingezet. Nu al leidt het overdadig gebruik van antibiotica in de varkenshouderij tot resistente bacteriën die gevaarlijk zijn voor de mens. Daarnaast verwacht het Rijksinstituut voor Volkgezondheid en Milieu (RIVM) dat de omstandigheden in een veefabriek – een grote concentratie eenzijdig doorgefokte dieren in nauw contact met mensen – een ideale kraamkamer van dierziekten is die kunnen overspringen op de mens. Concentraties van grote hoeveelheden dieren veroorzaken eveneens een opeenhoping van mest en uitstoot van broeikasgassen en fijnstof. Tegen vervuilende gassen en fijnstof worden luchtwassers ingezet, maar deze werken momenteel nog niet goed genoeg en ze verbruiken bovendien enorm veel energie. Kortom, de opeenhoping van dieren verslechtert de situatie op het gebied van dierenwelzijn en milieu.

Q: De veeteelt is toch goed geregeld in Nederland?

A: Dat valt best tegen. De veeteelt veroorzaakt veel schade aan het milieu en het klimaat, zowel in Nederland als in het buitenland. Nederland importeert op grote schaal veevoersoja uit gebieden waar de teelt van soja gepaard gaat met ernstige sociale en ecologische misstanden. Voor de sojateelt worden direct of indirect oerwouden en savannes vernietigd, wat samen met de methaanuitstoot van productiedieren sterk bijdraagt aan de klimaatverandering. En jaarlijks veroorzaakt het mestoverschot honderden miljoenen aan schade aan natuurgebieden en historische gebouwen. Ook zijn hoge reinigingskosten nodig om water drinkbaar te maken. Daarnaast staat het dierenwelzijn in de Nederlandse veeteelt op een laag niveau. Miljoenen productiedieren komen nooit buiten. Kippen worden nog steeds onverdoofd verminkt door het kappen van snavels. Dit alles om maar zo goedkoop mogelijk te kunnen produceren.

Q: Wat is er mis met schaalvergroting?

A: De belangrijkste drijfveren voor schaalvergroting in de veeteelt zijn de internationale concurrentiedruk door toenemende vrijhandel en het Europees landbouwbeleid. In de 60-er en 70-er jaren voltrok er zich – mede door goedkoop geïmporteerd veevoer (zie hierna) – een forse schaalvergroting en intensivering in de veehouderij. De overheid stimuleerde dat er miljoenen werden geïnvesteerd in de intensieve veehouderij en stond door gebrekkige wetgeving inbreuken op het dierenwelzijn, milieuvervuiling en natuurvernietiging toe. De veefabrieken gaan door op deze doodlopende weg van steeds verdergaande schaalvergroting en intensivering. Het extreme kostprijsgedreven karakter van deze vorm van veehouderij waarin boeren moeten concurreren met zeer kleine of ontbrekende winstmarges zorgt voor een zogenaamde ‘race to the bottom’, waarbij dierenwelzijn en milieu het keer op keer aflegt tegen het economisch gewin van eigenaren van veefabrieken, de internationale agribusiness en de supermarkten. Het risico is overigens groot dat bij verdergaande vrijhandelsafspraken van de EU met de Mercosur (Brazilië, Argentinië, Paraguay en Uruguay) ook de veefabrieken in Nederland de concurrentie met veefabrieken daar gaan verliezen. In plaats van de focus op een zo laag mogelijke kostprijs en bulkproductie zouden we moeten kiezen voor een duurzame veehouderij waarin boeren een toekomst kunnen opbouwen met eerlijke prijzen voor kwaliteitsproducten waarbij dierenwelzijn en een schoon milieu hoog in het vaandel staan.

Q: Waarom zijn er eigenlijk zoveel varkens en kippen in Nederland?

A: Goede vraag. Zo’n 70 tot 80 procent van de productie wordt geëxporteerd. En Nederland heeft veel te weinig grond om al het veevoer te verbouwen. Maar door handelsafspraken tussen de EU en de VS in de jaren 60 wordt veevoer als soja en maïs zonder importheffingen ingevoerd. Daarom wordt er in Zuid-Amerika ruim 1 miljoen hectare in beslag genomen om veevoersoja voor de Nederlandse dieren te verbouwen (bij elkaar 3,3 miljoen ton soja wordt verwerkt tot veeteelt- en voedingsproducten, voor consumptie in Nederland en voor export). De grootschalige sojateelt leidt daar tot vernietiging van waardevolle natuur (Amazone, Cerrado en Pantanal), milieuvervuiling en sociale ellende voor kleine boeren en inheemse volkeren. Door deze eenzijdige internationale handel is de voor de landbouw belangrijke kringloop voer-vee-mest-akker doorbroken. Ginds wordt de bodem uitgeput, hier blijven we zitten met een enorm mestoverschot. Toenmalig landbouwminister Veerman omschreef in 2003 in Milieudefensie Magazine de situatie als volgt: “We importeren voer, we exporteren varkens en de rommel houden we hier. Dit systeem is vastgelopen.” De situatie is sindsdien niet verbeterd en dreigt nu door de bouwgolf aan veefabrieken zelfs te verergeren.

Q: Wat is er mis met het dierenwelzijn in de vee-industrie?

A: Al vanaf 1965 werd op Europees niveau gesteld dat dieren vrij moeten zijn:

  • van dorst, honger en ondervoeding,
  • van fysiek en fysiologisch ongerief,
  • van pijn, verwondingen en ziektes,
  • om normaal gedrag te kunnen vertonen,
  • van angst en chronische stress.

Veertig jaar later blijkt dat in de bio-industrie aan minstens vier van deze Vijf Vrijheden niet wordt voldaan blijkt uit onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen uit 2003. Respectvol omgaan met productiedieren is dus ver te zoeken. Wij willen een veehouderij waarin wél voldaan wordt aan deze vrijheden door ze in de wet te verankeren. Dat betekent meer ruimte voor de dieren, de mogelijkheid om natuurlijke gedrag te vertonen, een einde aan het gesleep van dieren door Europa en geen verminkingen van varkens en snavelkappen van kippen. Boeren die het dierenwelzijn grondig verbeteren moeten hiervoor worden beloond. Het zoveel mogelijk produceren voor zo weinig mogelijk geld moet stoppen. Dieren zijn geen dingen!

Q: Wat zijn de gevolgen voor natuur en milieu in Nederland?

A: De vee-industrie is een ramp voor natuur en milieu in ons land. We zijn het dichtstbevolkste varkens- en kippenland ter wereld. Al deze dieren produceren ieder jaar maar liefst 70 miljard kilo mest, dat is 4.000 kilo per Nederlander. Al deze mest vervuilt de bodem, het grond- en oppervlaktewater, en maakt de drinkwatervoorziening duurder. Natuurgebieden worden aangetast en veel plantensoorten sterven uit. Deze milieuproblemen en de bestrijding van dierziekten zoals varkenspest, MKZ en Q-koorts kosten de belastingbetaler veel geld. En welk prijskaartje hangen we aan het aantasten van natuurgebieden, klimaatverandering en gezondheidsschade door antibiotica? Daarom vinden wij dat de vleesindustrie moet verduurzamen en dat deze verborgen kosten meegenomen moeten worden in de prijs. Een eerlijke prijs voor eerlijk voedsel!

Q: Wat zijn de gevolgen voor natuur en milieu in ontwikkelingslanden?

A: Voor de productie van veevoer leggen we beslag op 2,5 miljoen hectare grond in het buitenland (bijna tweederde van Nederland). Een groot deel van het geïmporteerde veevoer is soja uit Zuid-Amerika. Daar gaat de teelt van vooral genetisch gemanipuleerde soja gepaard met illegale ontbossing, vervuiling door kunstmest en bestrijdingsmiddelen, gedwongen landonteigening, gezondheidsproblemen, verlies van lokale voedselzekerheid en werkgelegenheid, en zelfs slavernij. In het Amazonegebied en in andere waardevolle natuurgebieden zoals de Cerrado en Pantanal gaan enorme oppervlakten natuur tegen de vlakte voor de teelt van soja. Daarnaast draagt het gebruik van soja als veevoer door de verwoesting van het regenwoud in sterkere mate bij aan CO2 uitstoot dan voer dat in Europa is geteeld. Soms wordt de natuur niet direct vernietigd voor de teelt van soja, maar komt soja in de plaats van extensieve rundveeteelt, waarvoor eerder bos gekapt is. Deze rundveebedrijven trekken dan verder en nemen weer nieuwe natuurgebieden in beslag. Dit is de zogenaamde indirecte verandering van grondgebruik.

Q: Wat verstaan jullie onder een duurzame veehouderij?

A: Een duurzame veehouderij produceert naar draagkracht van haar omgeving. Zij is zoveel mogelijk regionaal georganiseerd, waardoor de verwoesting van het oerbos in Zuid-Amerika afneemt en het transport van dieren (met bijbehorende milieuvervuiling) en de verspreiding van dierziekten wordt voorkomen. De mest van de dieren wordt gebruikt op het land waar het veevoer geteeld is, waardoor de kringloop van voedingsstoffen wordt gesloten. Dit voorkomt een mestoverschot en onnodig gebruik van kunstmest. Veehouders die investeren in dierenwelzijn, milieu en natuur verdienen een eerlijke prijs voor hun producten.

Q: Hoe komen we tot een duurzame veehouderij?

A: Dat kan op twee manieren. De overheid kan strengere regels instellen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en volksgezondheid, en zorgen dat de kosten hiervan terugkomen in de prijs van het product. Hiervoor is ook meer marktregulering nodig, via een drastisch hervormd Europees landbouw- en handelsbeleid. Europese boeren kunnen zich dan weer richten op de eigen markt met kostendekkende prijzen voor producten van hoogwaardige kwaliteit.

Maar de voedselindustrie kan ook veel zelf doen. Supermarkten kunnen hun aanbod verduurzamen, vlees- en zuivelfabrikanten kunnen eisen stellen aan hun leveranciers en de producenten van veevoer kunnen foute soja uit hun keten bannen en overgaan op in Europa geproduceerd eiwitrijk veevoer. Al deze stappen dragen bij aan een duurzamere veehouderij.

Q: Hoe kunnen we komen tot een duurzame veevoerproductie?

A: In plaats van soja voor het veevoer te importeren zouden Europese akkerbouwers eiwitgewassen als voedererwten, veldbonen en lupine kunnen telen. Dit veevoer is echter duurder. Voedingsmiddelenbedrijven en supermarkten zouden toch kunnen kiezen voor deze regionaal geproduceerde dierlijke producten, als het hen lukt om consumenten een meerprijs te laten betalen voor deze duurzame producten. In Duitsland gebeurt dit bijvoorbeeld bij Landliebe-producten.

Om een grotere doorbraak te krijgen zullen andere handelsafspraken gemaakt moeten worden waarbij Europa de invoer van soja gaat belasten met een importheffing. De Europese teelt van eiwitrijk veevoer wordt dan weer kostendekkend. De overheid moet in ieder geval zo snel mogelijk minimale eisen stellen aan het veevoer dat ons land binnenkomt: geen directe of indirecte natuurvernietiging en geen mensenrechtenschendingen.

Q: Waarom is biologisch vlees beter dan gangbaar vlees?

A: De biologische veehouderij legt meer nadruk op dierenwelzijn en milieu dan de vee-industrie. Biologische mest is een waardevol product dat zo mogelijk hergebruikt wordt op hetzelfde bedrijf. Veevoer wordt zonder bestrijdingsmiddelen geteeld en genetisch gemanipuleerde gewassen zijn verboden. Groeibevorderaars mogen niet worden toegepast in de biologische veehouderij. Het leven van een kip of varken ziet er heel anders uit in de biologische veehouderij. De dieren hebben veel meer ruimte in de stal en kunnen naar buiten om te scharrelen. In de biologische veehouderij is het kappen van snavels bij kippen en het verwijderen van staarten en hoektanden bij varkens verboden.